Prediker 2

22-01-2022

Vreugde en rijkdom brengen geen geluk

1 Ik zei in mijn hart: Kom toch, ik zal u op de proef stellen met blijdschap, en zie daarom het goede aan. Maar zie, ook dat was vluchtig.

2 Over het lachen zei ik: Dwaasheid, en over de blijdschap: Wat brengt die teweeg? 

3 Ik onderzocht mijn hart door mijn lichaam te verkwikken met wijn (mijn hart echter behield in wijsheid de leiding) en door dwaasheid aan te grijpen, totdat ik zou zien wat het beste is voor de mensenkinderen om onder de hemel te doen tijdens het getal van hun levensdagen.

Hoofdstuk 2 begint met de vluchtigheid van vreugde, rijkdom en succes, tot aan vers 12 spreekt Prediker hierover. Het Hebreeuwse woord voor blijdschap wat wordt gebruikt is sakhaq, dit kan zowel vreugde als vrolijkheid betekenen. Zoals we in vers 2 kunnen lezen doelt Prediker waarschijnlijk op lachen. Het is goed om je te realiseren dat de conclusies die Prediker trekt vanuit het leven onder de zon zijn. Met andere woorden; het leven zonder God. Blijdschap is vluchtig in een leven zonder God, niet in een leven met God. Waarom? Alles zonder God is tijdelijk en verzadigd niet, ook blijdschap niet.

4 Ik heb voor mijzelf grootste dingen tot stand gebracht: Ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden.

5 Ik legde mij tuinen en boomgaarden aan en plantte daarin allerlei vruchtbomen. 

6 Ik legde mij waterbekkens aan om daaruit een bos met jonge bomen te bevochtigen. 

7 Ik verwierf slaven en slavinnen en de in huis geboren kinderen behoorden mij toe. Ook had ik grote kudden runderen en kleinvee, meer dan alleen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn.

8 Ik vergaarde mij ook zilver en goud, kostbaarheden van koningen en gewesten. Ik zorgde voor zangers en zangeressen, en de genoegens van de mensenkinderen: genot in overvloed.

9 Ik werd groter en nam toe, meer dan alleen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn. Ook bleef mijn wijsheid bij mij.

10 Al wat mijn ogen verlangden, onthield ik ze niet. Ik ontzegde mijn hart geen enkele blijdschap, want mijn hart werd verblijd vanwege al mijn zwoegen. Dat was mijn deel voor al mijn zwoegen.

11 Toen richtte ik mijn aandacht op al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en op het zwoegen waarmee ik had gezwoegd om ze tot stand te brengen. Zie, het was alles vluchtig en najagen van wind. Daarin was geen voordeel onder de zon.

Bovenstaande verzen beschrijven wat voor grote en machtige koning Prediker (/Salomo) was. Machtiger dan allen die vóór hem in Jeruzalem zijn geweest (vers 9). Hij bezat luxe (vers 4 en 5), wijn (vers 4), fruit en gezondheid (vers 5), jonge bomen die gebruikt werden voor de bouw van schepen, huizen en muziekinstrumenten (vers 6), werd bediend en had altijd personeel (vers 7), vlees (vers 7), rijkdom en genot (vers 8). Al deze dingen heeft Prediker zelf tot stand gebracht. In vers 11 concludeert hij dat ook zijn harde werken vluchtig zijn. Het is tijdelijk en geeft daarom geen ware levensvulling. Rijkdom kan je bijvoorbeeld niet vasthouden, het kan je niet beschermen en je kan er niet van genieten. Alleen God kan terugkijken op Zijn werken en met voldoening vaststellen: 'En zie, het was zeer goed' (Genesis 1:31). 

'Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij met haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid'. (1 Johannes 2:16-17). 

12 Daarna richtte ik mijn aandacht op het bezien van wijsheid, ook van onverstand en dwaasheid. Immers, hoe zal de mens die na de koning komt, doen wat al gedaan is?

13 Toen zag ik dat de wijsheid voorkeur heeft boven de dwaasheid, evenals het licht voorkeur heeft boven de duisternis.

14 De wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis. Toen merkte ik ook dat één lot hen allen treft.

15 Toen zei ik in mijn hart: Zoals het lot van de dwaas mijzelf treft, waarom ben ik dan toen zo bovenmate wijs geweest? Ik sprak in mijn hart: Ook dat was vluchtig.

16 Er is immers voor eeuwig niet meer herinnering aan een wijze dan aan een dwaas. Wat er nu is, wordt in de dagen die komen, allemaal vergeten. Hoe sterft de wijze met de dwaas?

17 Daarom haatte ik het leven, want het werk dat plaatsvindt onder de zon, leek mij kwaad. Het is immers alles vluchtig en najagen van wind.

Prediker verteld in bovenstaande verzen meer over de vluchtigheid van wijsheid.

'Immers, hoe zal de mens die na de koning komt, doen wat al gedaan is?' (vers 12). Predikers koningschap ging dat van alle andere te boven (Prediker 1:16, 2:4-9), men kan hoogstens hetzelfde doen. 

Wijsheid heeft de voorkeur boven dwaasheid (vers 13). 'Voordelen' van wijsheid zijn:

  1. Geeft succes (Prediker 10:10)
  2. Beschermt (Prediker 7:12)
  3. Geeft macht (Prediker 7:19)
  4. Verlicht (Prediker 8:1)
  5. Het is beter dan kracht (Prediker 9:16)

Een dwaas is iemand die goddeloos en slecht is (Psalm 14:1, Psalm 53:1). Wijs of dwaas, zonder God treffen zij beide één lot, zij zijn beide sterfelijk. Vanuit geloof is er wel onderscheid (Genesis 18:23). Onder de zon zullen er niet meer herinnering zijn aan een wijze dan aan een dwaas (vers 16), vanuit geloof wel (Spreuken 10:7, Psalm 112:6, 1 Korinthe 11:24-25). 

18 Ik haatte ook al mijn zwoegen waarmee ik zwoegde onder de zon, zwoegen dat ik zou moeten overlaten aan de mens die er na mij zal zijn.

19 Want wie weet of die wijs zal zijn of dwaas? Toch zal hij beschikken over al mijn zwoegen waarmee ik, zij het met wijsheid, heb gezwoegd onder de zon. Ook dat is vluchtig.

20 Zo kwam ik ertoe mijn hart te doen wanhopen vanwege al het zwoegen waarmee ik had gezwoegd onder de zon. 

21 Want is er een mens wiens zwoegen met wijsheid, met kennis en met bekwaamheid geschiedt, hij moet die als zijn deel overgeven aan een mens die er niet voor gezwoegd heeft. Ook dat is vluchtig en een groot kwaad.

Je kan je hele leven hard werken om iets op te bouwen. Al je uren en energie steek je hierin. Alleen wanneer je dit leven verlaat moet je het achterlaten aan iemand waarvan je niet weet wat hij of zij gaat doen met wat jij hebt opgebouwd. Want wie weet of die wijs zal zijn of dwaas (vers 19)? Je geeft het over aan iemand die er (nog) niet voor gewerkt heeft (vers 21). 

Ons werk voor God is niet zinloos: 'Daarom, mijn geliefde broeders, wees verstandig, onwankelbaar, altijd overvloedig in het werk van de Heere, in de wetenschap dat uw inspanning niet tevergeefs is in de Heere.' (1 Korinthe 15:58).

22 Ja, wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en aan wat zijn hart najaagt, waarvoor hij zwoegt onder de zon?

23 Want al zijn dagen zijn vol leed, zijn bezigheid is verdriet. Zelfs in de nacht komt zijn hart niet tot rust. Ook dat is vluchtig.

24 Is het dan niet goed voor de mens dat hij eet en drinkt en zichzelf in zijn zwoegen het goede laat genieten? Ook dit heb ik gezien: het komt uit de hand van God. 

25- Wie eet en wie geniet er immers meer van dan ikzelf?

26 Want Hij geeft wijsheid, kennis en blijdschap aan de mens die goed is voor Zijn aangezicht. Aan de zondaar echter geeft Hij de bezigheid om te verzamelen en te vergaren, om het te geven aan wie goed is voor Gods aangezicht. Ook dat is vluchtig en najagen van wind. 

20 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder had naar eigen zeggen in 2017 problemen met slapen, meldt het CBS. We spreken dan over één op de vijf Nederlanders met slaapproblemen. Van de mensen die rapporteerden dat ze slaapproblemen hadden, gaf 41 procent aan dat zij daardoor belemmerd werden bij hun dagelijks functioneren. Slaap en rust zijn twee belangrijke factoren voor ons functioneren en ons welzijn. Prediker zegt in vers 23 dat zelfs in de nacht het hart van een mens (onder de zon) niet tot rust komt. Ik zie dit overal om mij heen gebeuren. Men weet niet hoe het is om stil te staan en echt rust te pakken. Echt rust pakken is niet eindeloos scrollen of een serie bingewatchen terwijl we languit op de bang liggen. Alleen bij God vinden we echt rust. Wanneer we het niet meer van onszelf verwachten maar Hij het mag doen. Jezus kon slapen in het midden van een storm (Markus 4:38) en Petrus had rust terwijl hij in de gevangenis zat en de dood voor ogen heeft (Handelingen 12:6). Zij hadden (echte) rust omdat zij bezig waren met de dingen van God. 

Vers 26 vind ik een boeiend vers. Blijkbaar geeft God de zondaren de bezigheid om dingen (bezittingen?) te verzamelen en te vergaren om ze vervolgens te (moeten) geven aan degene die goed zijn voor Gods aangezicht. Een voorbeeld uit het Oude Testament is wanneer Israël na jarenlange slavernij uit Egypte vertrekt en de Egyptenaren beroven (Exodus 3:21-22, Exodus 12:36). 


Ik wil afsluiten met de vraag: 'Waar leef jij voor?'


Share
© 2024 Esther Brady. Alle rechten voorbehouden.
Mogelijk gemaakt door Webnode
Maak een gratis website. Deze website werd gemaakt met Webnode. Maak jouw eigen website vandaag nog gratis! Begin