Prediker 3

22-01-2022

Alles heeft zijn tijd en beloop

Prediker begint hoofdstuk 3 met een gedicht.

1 Voor alles is er een vastgestelde tijd, en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.

2 Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven; een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te trekken;

3 een tijd om te doden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen;

4 een tijd om te huilen en een tijd om te lachen, een tijd om rouw te bedrijven en een tijd om te huppelen; 

Planten doen we ons hele leven. Wanneer wat we planten geen goede vruchten voortbrengt is het tijd om het geplante eruit te trekken (vers 2). De 9 vruchten van de Geest zijn: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Galaten 5:22). 

Geestelijk moeten wij alle gedachten en emoties die zich verheffen tegen de kennis van God afbreken (2 Korinthe 10:4) en opbouwen met het 'allerheiligste geloof' (Judas 1:20). Zijn er gedachten en of emoties die jij moet afbreken? Wanneer we er letterlijk naar kijken kun je het volk van Israël en het afbreken van Jeruzalem en Gods huis wegens ontrouw als voorbeeld nemen. 

5 een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen te verzamelen, een tijd om te omhelzen en een tijd om zich ver te houden van omhelzen;

6 een tijd om te zoeken en een tijd om verloren te laten gaan, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen;

7 een tijd om stuk te scheuren en een tijd om dicht te naaien, een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken;

8 een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten, een tijd van oorlog en een tijd van vrede.

In Leviticus 13 en 14 staan de wetten voor de reiniging van melaatsheid beschreven. In Leviticus 14:39-40 staat het volgende: 'Daarna moet de priester op de zevende dag terugkeren. Wanneer hij ziet dat- zie!- de ziekte zich op de muren van het huis heeft uitgebreid, dan moet de priester opdracht geven om de stenen waaraan die ziekte zich bevindt, eruit te breken, en ze buiten de stad te werpen, op een onreine plaats'. Melaatsheid was een besmettelijke huidziekte maar kan ook in de Bijbel symbolisch staan voor (uitbrekende) zonde. Zonde tast net als melaatsheid aan, verzwakt en verminkt. Melaatsheid kan iemand blind maken, net als de zonde onze blik verduistert. Zowel de zondaar als de melaatse verkeert in een onreine toestand. Eén regel was dus om stenen weg te werpen waarop de ziekte zich bevond. Wat zijn stenen waar jouw huis van gebouwd is? Welke tasten jouw huis (relatie met God) aan en welke stenen kun jij verzamelen waar je wel een goed huis mee kunt bouwen?

'Er is een tijd om te zoeken en een tijd om verloren te laten gaan' (vers 6); oftewel niet meer te zoeken. 'Een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen (vers 6); oftewel weggooien wat we al bezitten en dus bewaard hebben.

Scheuren in het rijk worden symbolisch voorgesteld in het scheuren van een mantel ( 1 Koningen 11:11-12, 30-31). Zo scheurde God het koninkrijk van Saul af (1 Samuel 15:27-28). 

Er is niet alleen een tijd om lief te hebben, maar ook een tijd om te haten (vers 8). Er is een gerechtvaardigde woede die onder bepaalde omstandigheden gepast is (Psalm 15:4, 26:5, 31:7, 139:21-22). Alles wat niet in overeenstemming is met God moeten we haten.

De tijd van oorlog is nu, hier op aarde. De tijd van vrede zal komen wanneer God terugkomt en zal regeren over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

9 Welk voordeel heeft hij die werkt, van datgene waarvoor hij zwoegt? 

10 Ik heb gezien welke bezigheid God de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te vermoeien.

11 Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van begin tot het eind kan doorgronden.

12 Ik heb gemerkt dat er voor hen niets beter is dan zich te verblijden en het goede te doen in hun leven,

13 ja ook, dat ieder mens eet en drinkt en het goede geniet van al zijn zwoegen. Dat is een gave van God.

14 Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niet is eraan toe te voegen, niet ervan af te doen, en God doet het opdat men vreest voor Zijn aangezicht. 

15 Wat er is, was er al, en wat er zijn zal, is er al geweest. God zoekt wat voorbijgegaan is.

Het Hebreeuwse woord voor 'ondoorgrondelijk' wat in vers 11 gebruikt wordt is matsa. Matsa betekent uitwerken, iets begrijpen door het te bestuderen. Toegepast op vers 11 houdt dit in dat we als hoewel we de eeuw in ons hart hebben we niet de werken van God kunnen uitwerken en of begrijpen. Vers 12 leert ons wat we moeten doen. In plaats van te kijken naar wat God niet gegeven heeft, namelijk inzicht in de gehele werkelijkheid, mogen we genieten van de gaven die Hij wel gegeven heeft. Namelijk eten en drinken en genieten van je werk, dat is een gave van God (vers 13). Hoe simpel wil je het hebben?

Wanneer wij God vrezen zijn we nederig, hebben we ontzag voor Hem en aanbidden we Hem. In het Oude Testament is er een duidelijk verband tussen het vrezen van God en het houden van Zijn geboden en het dienen van Hem (Deuteronomium 10:12-13, Deuteronomium 4:10; 6:2). In het Nieuwe Testament wordt het vrezen van God ook enkele keren aangehaald, zoals in 2 Korinthe 7:1. 

16  Verder heb ik ook gezien onder de zon: op de plaats van het recht, daar was goddeloosheid, en op de plaats van gerechtigheid, daar was onrecht.

17 Ik zei in mijn hart: De rechtvaardige en de goddeloze zal God oordelen, want er is een tijd voor elk voornemen en voor elk werk. 

Prediker beschrijft in vers 16 tot en met 21 de vluchtigheid van het sterfelijk leven. Het grootste onrecht in de geschiedenis van de mensheid was het proces tegen Jezus. Dat op de plaats van gerechtigheid onrecht is, is het gevolg van de zondeval.

18 Wat de mensenkinderen betreft, zei ik in mijn hart dat God hen zal toetsen, en dat zij zullen inzien dat zij voor zichzelf net als de dieren zijn.

19 Want wat de mensenkinderen overkomt, overkomt ook de dieren. Hun overkomt een en hetzelfde. Zoals de een sterft, zo sterft de ander, en zij hebben alle een en dezelfde adem. De mensen hebben niets voor op de dieren, want alles is vluchtig.

20 Zij gaan allen naar één plaats: zij zijn allen uit het stof en zij keren allen terug tot het stof.

21 Wie merkt op dat de adem van de mensenkinderen naar boven stijgt en de adem van de dieren naar beneden daalt naar de aarde?

22 Zo heb ik ingezien dat er niets beter is dan dat de mens zich verblijdt in zijn werken, want dat is zijn deel. Wie zal hem immers zo ver brengen dat hij ziet wat na hem gebeuren zal?

God zal ons toetsen (vers 18), onrecht heeft dus een functie.

Zonder God of de eeuwigheid erbij te betrekken is er geen onderscheid tussen mens en dier. 'In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit ontnomen bent: want stof bent u en u zult tot stof terugkeren' (Genesis 3:19). Het verschil tussen mens en dier is dat de adem, ofwel de geest (Genesis 2:7), van mensen naar boven stijgt (naar God toe), en de adem van de dieren naar beneden (naar de aarde). 

Prediker sluit dit hoofdstuk af met zijn conclusie in vers 22: verblijdt in je werken. 

'Nu is de Godsvrucht met tevredenheid inderdaad een grote winst: want wij hebben niets in de wereld ingebracht, omdat wij er ook niets uit kunnen wegdragen' (1 Timotheüs 6:6-7). 



Share
© 2024 Esther Brady. Alle rechten voorbehouden.
Mogelijk gemaakt door Webnode
Maak een gratis website. Deze website werd gemaakt met Webnode. Maak jouw eigen website vandaag nog gratis! Begin