Profeteren, gewoon doen!
Ik neem plaats op een stoel in de ruimte waar de laatste dienst van deze dag zo plaats ga vinden. Het kringleiders-nestorweekend van Navigators, waar de kringhuisteams voor het komende verenigingsjaar worden toegerust, bevalt me goed. We krijgen veel informatie toegereikt, maar het lukt me om de voor ons team nuttige dingen uit te filteren. Na deze dienst is de dag alweer voorbij en gaan we morgen terug naar huis. De dienst gaat beginnen, want de spreekster komt het podium opgelopen. Met een pen, papier en een Bijbel op schoot ben ik klaar om te luisteren naar wat ze te zeggen heeft.
Het is ongeveer halverwege haar praatje dat er een gedachte in mij opkomt; "Zij heeft de gave van profetie en mag hier meer in gaan staan". In eerste instantie probeer ik deze gedachte weg te drukken, want waar haal ik dit vandaan? Het gaat helemaal niet over profetie en wie ben ik om dit in anderen te zien? Het lukt echter niet om de gedachte weg te drukken. Sterker nog, ik kan me nergens anders meer op focussen. Ondertussen besluit mijn gevoel ook mee te doen en word ik onrustig. Dit gevoel herken ik, vaak is dit voor mij een teken dat iets van de Heilige Geest is. Uiteindelijk besluit ik daarom om het haar te vertellen, maar meteen dan ook te bidden voor bevestiging als dit van God is. Dit geeft mij de kracht om alle andere gedachten opzij te zetten en de moed om op haar af te stappen. Ik besluit het meteen na de dienst te doen. Hoe eerder ik het gedaan heb, hoe eerder ik er vanaf ben.
De dienst loopt ten einde en ik weet heel goed dat mij nog iets te doen staat. De spreekster loopt van het podium af en het aanbiddingsteam komt het podium op. Meteen loop ik naar de spreekster toe. Ik vraag of ik iets met haar mag delen en voor haar mag bidden. Dit mag en ik deel de gedachten die ik had met haar en bid of God dit wil bevestigen als het van Hem afkomstig is. Nadat ik 'amen' heb gezegd wil ik eigenlijk meteen weer weglopen. Ze heeft tot op heden nog niet gezegd wat zij denkt of voelt bij de woorden die ik over haar uitgesproken heb. Ik besluit er bewust niet naar te vragen. Dit blijkt uiteindelijk ook niet nodig, want voordat ik haar kan bedanken voor haar tijd en weer terug naar mijn plek loop besluit ze wat met mij te delen. ''Om jou te bemoedigen voor het goed verstaan van Gods stem; dit is vaker over mij uitgesproken en ik ben er inderdaad steeds meer mee bezig. Dank je wel!''
Zichtbaar opgelucht loop ik terug naar mijn stoel. Wat is het bijzonder dat God mij wilt gebruiken om anderen te bemoedigen, laat ik vaker uitstappen ookal begrijp en voel ik het niet.